Bijdragen & Bronnen

Jef Van Bilsen tussen Hendrik De Man en Tony Herbert. De politieke zoektocht van een ex-Dinaso

Author
  • Brecht Lein

Abstract

Na de schipbreuk van het Verdinaso, maakte Jef Van Bilsen (1913-1996) nog kortstondig deel uit van de groep Dinaso's rond Paul Persijn en diens alternatieve Verdinaso-directorium. Ondertussen ging hij ook op zoek naar andere manieren om aan betekenisvolle politiek te doen onder het bezettingsregime. Vanuit de overtuiging dat Duitsland nog lange tijd heer en meester over Europa zou blijven, raakte Van Bilsen in 1941 verwikkeld in een kluwen van nationalistische en royalistische Nieuwe Orde-initiatieven. In die middens ondernamen ook socialistisch voorman Hendrik De Man en de industrieel Tony Herbert afzonderlijke pogingen om iets zinvols te ondernemen in afwachting van het oorlogseinde.
Tijdens Van Bilsens reis naar Berlijn in oktober 1940 was de idee ontstaan om een soort eenheidsbeweging rond Hendrik De Man op te zetten. Concreet moest De Man, in de hoedanigheid van een soort kanselier, een kabinet vormen met Dinaso’s. Dit op basis van een gemeenschappelijk programma waarin de Dinaso-ideologie centraal stond. Van Bilsen stond echter alleen met zijn enthousiasme want andere Dinaso's zagen een mogelijke samenwerking met De Man niet zitten. Bovendien stond ook De Man zelf bijzonder sceptisch tegenover het hele opzet. Verder dan een introductiegesprek tussen Van Bilsen en De Man is het aanvankelijk niet gekomen.
Pas begin februari 1941 vond een eerste weerzien plaats tussen Van Bilsen en De Man. Deze laatste toonde zich toen bijzonder geïnteresseerd in de ontbinding van het Verdinaso en op 1 maart volgde een tweede ontmoeting in verband met de De Mans voorbereidingen voor de uitgave van Le Travail, dagblad van de Unie voor Hand- en Geestesarbeiders. De Man was op zoek naar enthousiaste medewerkers voor zijn krant en hengelde daarom naar Van Bilsens hulp. Van Bilsen negeerde dit en stelde voor om een Nederlandstalig dagblad 'met standing' uit te geven, los van de Unie voor Hand- en Geestesarbeiders en qua programma vergelijkbaar met dat van het Rexistische Le Nouveau Journal. Een bezoek van Otto Abetz (Duits ambassadeur in bezet Frankrijk en oud-leerling van De Man) aan Brussel, bracht dit voornemen in een stroomversnelling. Met de steun van Abetz zou het mogelijk zijn om een Vlaams dagblad uit te geven dat 'de Belgische thesis' verdedigde. Van Bilsen ging mee in die redenering en werkte alvast een voorstel uit. Van Bilsen wilde een 'politiek, cultureel, economisch informatie- en leidingsblad' uitgeven met als taak het 'negatieve nationalisme, zoals het 'anti-Fransch, anti-Waalsch en anti-Hollandsch', te bestrijden. Het 'België van morgen' zou volgens de ontwerpnota georiënteerd zijn op de vereniging van de Nederlanden en om dit alles te realiseren moest na de bezetting een 'Orde-revolutie van bovenaf' worden doorgevoerd. Er moesten echter nog heel wat praktische zaken geregeld worden vooraleer tot een daadwerkelijke uitgave kon overgegaan worden. In het bijzonder de financiering van het project en het vinden van een geïnteresseerde drukker bleek al snel onmogelijk. Door een gebrek aan middelen is er van een dagblad dan ook niets in huis gekomen.
Toch had Van Bilsen de ontwerpnota niet voor niets opgesteld. Tijdens het voorjaar van 1941 vond De Man inspiratie in een initiatief van Robert Poulet en Raymond De Becker, de respectieve hoofdredacteurs van Le Nouveau Journal en de 'gestolen' Le Soir. Zij brachten alle rechtse Waalse groeperingen samen onder de noemer 'Parti Unique des Provinces Romanes de Belgique'. Eind mei 1941 voerde De Man van zijn kant een aantal gesprekken met als doel een soortgelijke organisatie aan Vlaamse kant uit te bouwen. Daartoe werd ook Van Bilsen opnieuw ingeschakeld. Eind mei 1941 werd hem verzocht om de voornoemde ontwerpnota aan De Man over te brengen. Waarschijnlijk hoopte deze de ontwerpnota nu te kunnen gebruiken als politiek-ideologische fundering voor een eventueel blad ter ondersteuning van de nog op te richten nieuwe formatie.
Tijdens een eerste samenkomst op 6 juni 1941 deed De Man zijn plannen uit de doeken aan een achttal genodigden, onder wie ook Van Bilsen. De Man wilde samen met de Parti Unique een alternatieve eenheidsbeweging vormen voor de taalgrensoverschrijdende collaboratiecoalitie tussen het VNV en Rex. Daarvoor moest eerst en vooral een Vlaams pendant van de Parti Unique opgestart worden met een aantal 'Vlaamse personaliteiten'. De politiek-ideologische agenda van de op te richten beweging werd voorgesteld in een 'Schets van een Programma voor een Vlaamsche Beweging in het kader van een Belgisch Federale Staat'. De beweging zou zich niet profileren als een nieuwe partij. Het zou louter gaan om een groepering van 'thans geïsoleerde personen, en kernvorming, als mogelijk element van een ruimere constellatie later'. Ten tweede zou de groepering nationaal-socialistisch zijn, voor een socialistische orde en een autoritaire staat. Van Bilsen struikelde echter over De Mans federalistische opvattingen voor de toekomst van het Belgisch staatsverband. Het was duidelijk dat er tussen De Man en Van Bilsen een communautair meningsverschil bestond dat voor die eerste onbelangrijk scheen, maar voor Van Bilsen van onoverkomelijk belang was. Uiteindelijk bleken Van Bilsens reserves ten aanzien van een zoveelste samenwerking met De Man overbodig. De oprichting van een Nationale Bond-Vlaanderen (NBV), zoals het project ondertussen heette, werd namelijk verboden door de Duitse militaire overheid.
Voor Van Bilsen was het na deze laatste poging met De Man duidelijk dat een zinvolle aanwezigheidspolitiek onmogelijk was onder de bezetting. Hij sloot zich vervolgens aan bij de clandestiene beweging van Tony Herbert, maar eigenlijk maakte Van Bilsen de mentale overstap al vroeger. Herberts beweging vond zijn wortels in een netwerk van kleine 'morele weerstandsgroepen'. Herbert was een van de weinige figuren die nooit heeft willen twijfelen aan een geallieerde eindoverwinning en vond dat men, gezien 'een Duitse overwinning voor ons land en volk een katastrofe zou zijn, slechts in één hypothese moest werken'. Hij zag het daarom als zijn plicht om tijdens de bezetting een eensgezinde groep mensen klaar te stomen om, onmiddellijk na de bevrijding, de eenheid van het land te verzekeren om zo de economische, sociale en politieke problemen van de naoorlogse periode het hoofd te bieden. De grootste uitdaging hierbij zou volgens Herbert de integratie van Walen en Vlamingen in een nieuw België zijn.
Concreet begon Herbert tijdens het najaar van 1940 voordrachten te geven 'over de nationale betekenis van de Vlaamse Beweging'. Toenadering tussen Waalse en Vlaamse elites en de vervlaamsing van de Franstalige Vlamingen stonden hierbij telkens centraal. Met dit 'werk van nationale vernieuwing' oogstte hij al snel succes, ook omdat het patriottisme hoogtij vierde in de middens die hij aandeed. Begin 1941 kon Herbert al een beroep doen op een bescheiden netwerk van geëngageerde studiegroepen, al was het toen nog te vroeg om van een georganiseerde beweging te spreken. Vanaf maart 1941 vertakte dit netwerk zich ook tot in Wallonië en op 19 juni dat jaar, exact een week voordat de oprichting van de NBV verboden werd, had Van Bilsen een beslissend gesprek met Herbert. Qua politiek-ideologische instelling sloot de ultraroyalistische en antiparlementaire actie van de Herbert-beweging goed aan bij Van Bilsens discours. Bovendien was attentisme niets voor iemand met een innerlijke gedrevenheid als die van Van Bilsen. De concrete aanpak van de clandestiene Herbert-groepen moet, na de resem Duitse weigeringen tot erkenning, een heuse verademing geweest zijn.
Het staat vast dat Van Bilsen zich vanaf september 1941 volledig aan de Herbert-beweging wijdde. Van Bilsens 'schamele' advocatenpraktijk bleek de ideale dekmantel om 'herbertianen' te ontvangen, vergaderingen te houden en de werking van de beweging te stuwen. Bovendien liet zijn registratie bij de balie hem toe om afspraken te regelen in het Justitiepaleis en de vredegerechten. Herbert zorgde aldus voor een nieuw kantoor op een centrale locatie in Brussel waar Van Bilsen daarna, van september 1941 tot februari 1944, het hart van de Herbert-beweging leidde. Mede omdat zich onder de Herbertianen een groot aantal verzetslieden bevonden, verzeilde ook Van Bilsen geleidelijk in de wereld van het actieve verzet.

________

Jef Van Bilsen between Hendrik De Man and Tony Herbert. The political search by a former Dinaso
After the failure of the Verdinaso party, Jef Van Bilsen (1913-1996) briefly joined the Dinaso Group led by Paul Persijn with his alternative Verdinaso-directory. Meanwhile he also started searching for different ways of being involved in significant politics during the regime of the Occupation. Based on the conviction that Germany would continue as lord and master of Europe for a long time to come, Van Bilsen was caught up in a tangle of nationalistic and royalist New Order initiatives. The socialist leader Hendrik De Man and the industrialist Tony Herbert also started separate initiatives in that environment to undertake something meaningful while awaiting the end of the war.
During his trip to Berlin in October 1940, Van Bilsen conceived the idea of starting a kind of unity movement centred around Hendrik De Man. This meant in fact that De Man, as a kind of chancellor was to constitute a cabinet together with the Dinaso members, based on a common programme focused on the Dinaso-ideology. However, Van Bilsen was isolated in his enthusiasm, for the other Dinaso members did not consider it feasible to cooperate with De Man. Moreover, De Man himself was very sceptical towards the whole concept. At first, Van Bilsen and De Man did not get beyond an introductory conversation.
Not until the beginning of February 1941 Van Bilsen and De Man met again. At that time, De Man was very interested in the dissolution of the Verdinaso party and on 1 March, a second meeting took place in view of De Man’s preparations for the publication of Le Travail, a daily paper of the Union of Manual and Intellectual Workers. De Man was searching for enthusiastic collaborators for his paper and he therefore angled for the assistance of Van Bilsen. Van Bilsen ignored this attempt and proposed instead to publish a daily paper ‘of standing’ in the Dutch language that would be separate from the Union of Manual and Intellectual Workers and whose programme would be comparable with that of the Rexist Le Nouveau Journal. A visit by Otto Abetz (the German Ambassador in occupied France and a former student of De Man) to Brussels gave impetus to this intention. With the support of Abetz it would be possible to publish a Flemish daily paper that would defend the ‘Belgian proposition’. Van Bilsen agreed with this line of thinking, and immediately drafted a proposal. Van Bilsen wished to publish a ‘political, cultural, economic informative and leading newspaper that would have the mission to combat ‘the negative nationalism ‘like ‘the anti-French, anti-Walloon and anti-Dutch’ types of nationalism. According to the draft note, the ‘Belgium of tomorrow’ would be geared towards the reunion of the Netherlands, and in order to bring all of this about it would be necessary to carry out a ‘top-down Order-revolution’ after the occupation. However, a large number of practical matters needed to be resolved before a factual publication could be produced. It soon proved that in particular the financing of the project and finding an interested printer was impossible. Because of a lack of finances, the daily paper never saw the light of day.
However, Van Bilsen had not composed the draft note in vain. During the spring of 1941, De Man was inspired by an initiative by Robert Poulet and Raymond De Becker, the respective chief editors of Le Nouveau Journal and the 'stolen' Le Soir. They united all right-wing Walloon factions under the common denominator of the 'Parti Unique des Provinces Romanes de Belgique'. At the end of May 1941, De Man had a number of conversations in his turn in order to set up a similar organisation for the Flemish side.  Van Bilsen became involved again for this purpose. At the end of May 1941, he was asked to hand over the previously mentioned draft note to De Man. The latter probably hoped to make use of the draft note as a politico-ideological foundation for a future publication for the as yet to be founded formation.
During a first meeting on 6 June 1941, De Man revealed his plans to eight invited guests including Van Bilsen. De Man wanted to start an alternative unity movement together with the Parti Unique to achieve a collaboration coalition across the language boundaries between the VNV and Rex. A preliminary to this end was to start up a Flemish counterpart to the Parti Unique that would include a number of ‘Flemish personalities’. The politico-ideological agenda of this future movement was presented in an ‘Outline of a programme for a Flemish movement in the framework of a Belgian Federal State’. The movement was not to be profiled as a new party. It would only concern a grouping of ‘persons that were isolated at present, and could form a core, which might be a possible element of a larger constellation later on’. Secondly, the grouping would be national-socialist, propagating a socialist order and an authoritarian state.  However, Van Bilsen considered the federalist concepts of De Man an obstacle for the future of the Belgian Union of state. It was clear that De Man and Van Bilsen had different opinions about the communities. The former considered this of little importance, but for Van Bilsen it was an insurmountable problem. In the end, Van Bilsen’s reservations about yet another attempt of cooperation with De Man proved to be superfluous, as the German military authorities forbade the foundation of a National Union-Flanders (NBV) as the project was called by then.
After this last attempt with De Man, Van Bilsen concluded that a meaningful politics of presence was impossible during the occupation. Consequently, he joined the clandestine movement of Tony Herbert, though he really had already switched his allegiance earlier on. Herbert’s movement was based on a network of small ‘moral resistance groups’. Herbert was one of the few people who never wanted to doubt the eventual victory of the Allies and he considered that in view of the fact that ‘a German victory would constitute a catastrophe for our country and our people, you could really only act based on one hypothesis’. Therefore, he considered it his duty to prepare a group of like-minded people during the occupation in order to be able to ensure the unity of the country and thereby confront the economic, social and political problems of the post-war period immediately after the liberation. Herbert considered that the main challenge would then be the integration of the Walloons and the Flemings into a new Belgium.
During the autumn of 1940, Herbert started in fact to give lectures about the ‘national significance of the Flemish Movement’. He always focalised on the rapprochement between Walloon and Flemish elites and the process of converting French speaking Flemings into Flemish speakers. He quickly became successful with this ‘work of national renewal’, in part because patriotism reigned supreme among the circles he visited. At the beginning of 194l, Herbert could already call on a modest network of committed study groups, even if it was too early to call it an organised movement. From March 1941, this network also started spreading into Wallonia and on 19 June of that year, exactly one week before the foundation of the NBV was forbidden, Van Bilsen had a decisive discussion with Herbert. The politico-ideological views of the ultra-royalist and anti-parliamentarian action of the Herbert Movement fitted in well with the discourse of Van Bilsen. The concrete approach of the clandestine Herbert-groups must have provided great relief, after the series of German refusals for recognition.  
It has been established that Van Bilsen dedicated himself completely to the Herbert Movement from September 1941. Van Bilsen’s 'humble’ lawyer’s office proved to be the ideal cover for receiving the members of the Herbert Movement, to organise meetings and to promote the operation of the Movement. Moreover, his registration at the bar allowed him to organise meetings in the Justice Palace and the justice of the peace courts. Thus, Herbert provided a new office in a central location in Brussels, from where Van Belsen led the core of the Herbert Movement from September 1941 until February 1944. In part, because the Herbert Movement counted a large number of members of the resistance, Van Bilsen gradually also ended up in the world of active resistance.

How to Cite:

Lein, B., (2012) “Jef Van Bilsen tussen Hendrik De Man en Tony Herbert. De politieke zoektocht van een ex-Dinaso”, WT. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse beweging 71(2), 105-140. doi: https://doi.org/10.21825/wt.v71i2.12260

Downloads:
Download PDF
View PDF

272 Views

177 Downloads

Published on
06 Jun 2012
Peer Reviewed
License