Alkestis, vrouwelijke zelfopoffering totterdood
Abstract
Onder de nu 1355 gevallen, die mijn bestand van antieke eigendodingen[1] inmiddels omvat, is dat van Alkestis wel heel opmerkelijk: een vrouw die haar leven in vicaria morte, ‘plaatsvervangende dood’, geeft voor dat van haar man, zoals de mythograaf Hyginus schrijft in de rubriek ‘vrouwen die zich hebben verdaan’.[2] Nu gebeurt Alkestis’ zelfopoffering in de mythe, maar in werkelijkheid hebben er Alkestissen bestaan, als we de antieke bronnen moeten geloven.
Alkestis, een rare tragedie
Het verhaal is verwerkt in Euripides’ tragedie onder haar naam.[3] Een tragedie? Het stuk voldoet niet aan de definitie die we indertijd leerden uit Literaire kunst van H.J.M.F. Lodewick: ‘Kenmerk van de tragedie is dat de mens, strijdend tegen vijandige machten, hiertegen de nederlaag lijdt, de nederlaag lijden móet.’ Eigenlijk gaat deze karakterisering alleen op voor de meest tragische aller tragedies, Sophokles’ Oidipous tyrannos. De Alkestis is helemaal een buitenbeentje, want het is een treurspel met een happy ending en met onmiskenbaar luchtige elementen.
Het verhaal is dat Alkestis’ echtgenoot Admetos door toedoen van zijn goddelijke beschermer Apollo van de Schikgodinnen gedaan heeft gekregen dat ze zijn levensdraad niet zullen doorknippen, als tenminste iemand in zijn plaats wil heengaan. Admetos had gerekend op de bereidheid van zijn bejaarde ouders, maar hun is het leven toch te lief.
Dan biedt Alkestis zich aan. Zij heeft Admetos al twee kinderen geschonken, een jongen en een meisje, en daarmee voldaan aan de eerste plicht van de antieke vrouw, te zorgen voor voortzetting van het geslacht.
In Euripides’ toneelstuk neemt Apollo juist afscheid van het huis van zijn menselijke vriend als hij Thanatos tegenkomt, die Alkestis komt halen. Apollo voorspelt dat een sterk iemand de Dood zal verslaan, eigenlijk wel een ‘spoiler’. Na het intermezzo van de eerste rei, die voorspelt dat Admetos de opoffering van zijn vrouw nog zal berouwen, doet eerst een dienares verslag van wat zich in huize Admetos afspeelt: Alkestis is daar snel aan het wegkwijnen. Na een tweede koorlied verschijnt het paar. In doodsnood neemt Alkestis afscheid van licht en lucht, terwijl Admetos vooral zichzelf beklaagt in zijn bede tot de hemel:
Bezie jou en mij, twee die er slecht aan toe zijn
ὁρᾷ σὲ κἀμέ, δύο κακῶς πεπραγότας (246)
Alkestis ziet in haar zinsbegoocheling hoe Charon haar al roept, maar Admetos, egoïst als hij is, betrekt het visioen op zichzelf:
Wee mij, een mij bittere vaart
noem je, o ongelukkige, wat lijden we.
οἴμοι, πικράν γε τήνδε μοι ναυκληρίαν
ἔλεξας. ὦ δύσδαιμον, οἷα πάσχομεν. (257/258)
Dan krijgt Alkestis een laatste helder moment, waarin ze haar overwegingen en laatste wensen uit:
Niet wilde ik leven, verstoken van jou,
met verweesde kinderen
οὐκ ἠθέλησα ζῆν ἀποσπασθεῖσά σου
σὺν παισὶν ὀρφανοῖσιν. (287/288)
Ze vraagt hem niet te hertrouwen;
Want vijandig is een binnendringende stiefmoeder
voor de naasten, niets milder dan een adder.
ἐχθρὰ γὰρ ἡ 'πιοῦσα μητρυιὰ τέκνοις
τοῖς πρόσθ', ἐχίδνης οὐδὲν ἠπιωτέρα. (309-310)
Admetos belooft grif aan haar laatste wensen gevolg te geven. Zijn motief is heel zelfzuchtig en getuigt niet van echtelijke liefde: hij heeft als genoeg kinderen:
ἅλις δὲ παίδων (335)
Om kracht bij te zetten aan de verplichting niet te hertrouwen, neemt hij zich een substituut voor:
Jouw met vaardige kunstenaarshand
gelijkgemaakte gestalte zal in bed worden uitgestrekt,
waarbij ik zal liggen en die omvattend en
jouw naam in de omhelzingen noemend
zal ik denken een vrouw te hebben zonder die te hebben.
σοφῇ δὲ χειρὶ τεκτόνων δέμας τὸ σὸν
εἰκασθὲν ἐν λέκτροισιν ἐκταθήσεται,
ᾧ προσπεσοῦμαι καὶ περιπτύσσων χέρας
ὄνομα καλῶν σὸν τὴν φίλην ἐν ἀγκάλαις
δόξω γυναῖκα καίπερ οὐκ ἔχων ἔχειν· (348-352)
Bij deze passage kan in elk geval de moderne lezer, die aan een sekspop denkt, een gniffel niet onderdrukken – maar hoe reageerde het antieke publiek? Ten slotte is het moment suprême daar, tot verbijstering van Admetos:
Wat doe je? Ga je heen?
Alk: Vaarwel.
Adm: Ik, ongelukige, ben dood.
Αδ. τί δρᾷς; προλείπεις;
Αλ. χαῖρ'.
Αδ. ἀπωλόμην τάλας. (390-391)
Opnieuw beklaagt Admetos zichzelf. Nogal laconiek stelt het koor dan vast:
Heengegaan is zij; niet meer is Admetos vrouw’.
βέβηκεν, οὐκέτ' ἔστιν ᾿Αδμήτου γυνή. (392)
Als Admetos’ vader zich vervolgens aandient met grafgaven, wordt hij bruusk weggestuurd.
Dan verschijnt opeens Herakles, een oude gastvriend, op weg naar een van zijn ‘werken’ voor Eurystheus en bespeurt de gedrukte sfeer. Admetos verklaart die uit rouw om een weesmeisje dat in zijn huis was opgenomen. Prompt wil Herakles weggaan, maar als goede gastheer dwingt Admetos hem te blijven. Hij wordt gul bediend. Het onbehouwen type dat Herakles is, bedrinkt zich. Is het een bedoeld komische passage, die het Atheense publiek sterkte in zijn vooroordelen over de Spartanen, die Herakles als hun held beschouwden?
Dan onthult een dienaar echter wat de werkelijke reden van de rouw is waarin het huis is gedompeld. Direct ontnuchterd, gaat de held op pad om nog eens naar de onderwereld af te dalen – hij had er immers al eerder bij een van zijn πόνοι Kerberos uit de Hades aan Eurystheus gepresenteerd.
Later, na lang zelfbeklag van Admetos, komt Herakles met een gesluierde vrouw terug en vraagt Admetos aan haar onderdak te bieden. Die ziet echter de verleidelijke gelijkenis met zijn overleden vrouw en weigert. In werkelijkheid is zij natuurlijk Alkestis zelf, door Herakles teruggehaald uit de dood. Ten slotte licht Herakles de sluier op en herenigt man en vrouw.
Dood door devotio
In deze ‘comitragedie’ is Alkestis de enige persoon die ernstig te nemen is. Wat feitelijk tot haar dood leidt, blijft ongewis. De culturele antropologie kent wel het verschijnsel van iemand de vloek van een ander overneemt en zó overtuigd is nu zelf vervloekt te zijn, dat hem/haar de dood overkomt.
In elk geval was Alkestis de antieke icoon van vrouwelijke trouw, fides, en toewijding: devotio. In Plato’s Symposion wordt ze als enige bij name genoemd onder de vrouwen die uit liefde bereid waren te ὑπεραποθνῄσκειν, ‘sterven in plaats van’.[4]
Ze wordt in grafinscripties als φίλανδρος, manlievend, op één lijn gezet met de trouwe Penelope en met Laodameia, die een einde maakte aan haar leven om bij haar in de Trojaanse oorlog gestorven man te zijn.[5]
Geprezen als Alkestis
Hoe zo’n nieuwe Alkestis haar φιλανδρία bewees, wordt niet expliciet gemaakt. Het zou kunnen dat zij zich dodelijk uitputte in de verzorging van haar (bejaarde?) echtgenoot. Daaraan wordt bijvoorbeeld de dood van Charlotte de Bourbon, derde vrouw van Willem van Oranje, toegeschreven, toen ze in 1582 niet van het ziekbed van haar man week, die bij een aanslag in Antwerpen zwaar verwond was.
Zoiets zou het geval kunnen zijn bij Kallikrateia. Zij wordt verheerlijkt in een anoniem epigram, dat alle kenmerken heeft van wat een epigram oorspronkelijk was, een poëtisch grafschrift:
Alkestis de nieuwe ben ik. Ik stierf voor mijn edele echtgenoot
Zeno, de enige die ik in mijn gemoed toeliet.
Hem stelde mijn hart boven het levenslicht en mijn lieve kinderen.
De naam: Kallikrateia, voor alle stervelingen bewonderenswaardig.
῎Αλκηστις νέη εἰμί· θάνον δ' ὑπὲρ ἀνέρος ἐσθλοῦ
Ζήνωνος, τὸν μοῦνον ἐνὶ στέρνοισιν ἐδέγμην,
ὃν φωτὸς γλυκερῶν τε τέκνων προὔκριν' ἐμὸν ἦτορ,
οὔνομα Καλλικράτεια, βροτοῖς πάντεσσιν ἀγαστή.[6]
Deze Kallikrateia voldeed ook aan het ideaal univira, eenmannig, te zijn geweest (mannen worden daarentegen nooit als unuxoreus geprezen!).
Thracische Alkestis
Het zonet geciteerde gedicht oogt als een literair spel. Authentiek daarentegen is een Grieks epitaaf. waarvan de eerste regel verloren is, zodat we de naam van de vrouw niet kennen. Zij wordt door ene Hyakinthos geprezen omdat ze hem een leven van vrijheid gaf. Hij was dus slaaf geweest en is kennelijk door de onbekend gebleven jonge vrouw vrijgemaakt. De grafsteen uit het Thracische Odessos spreekt dan als volgt:
Maar nu is ze dood in plaats van mij en heeft
lof als Alkestis. In het twintigste
jaar geleefd hebbend liet ze in de liefdevolle armen van Hyakinthos
het levenslicht en verkreeg deze tombe.
Voorbijganger, laat mij niet in de steek!’
νῦν δ' ἀντ' ἐμοῦ θνῄσκει καὶ ἔχει
φήμην καὶ ἔπαινον ὡς ῎Αλκηστις· εἰκοστὸν
ζήσασα ἔτος βιότοιο ἐν χερσὶ φίλαις ῾Υακίνθου
προλιποῦσα φάος τοῦτον λάχε τύνβον.
ὦ παροδεῖτα, μή με λίπῃς.[7]
Op het laatst spreekt opeens de dode de passant aan, zoals in antieke grafschriften de gestorvene zich vaker tot de viator ofwel ‘voorbijganger’ richt.
Wilde Hyakinthos suggereren dat zij haar leven voor dat van hem heeft ingeruild? Of gaat het alleen om de bekende verzuchting van een rouwende: ‘waarom zij wel en ik niet?’.
De Alkestis van Sardinië
Er is in ieder geval een vrouw die aan alle kenmerken van een nieuwe Alkestis voldeed: Atilia Pomptilla (eind 1ste eeuw). Zij liep tegen de zestig en was eenentwintig jaar getrouwd geweest met Lucius Cassius Philippus. Deze was kennelijk zijn vader, die door Nero was verbannen, naar Sardinië gevolgd.[8] Na haar dood liet haar man een ondergrondse tombe inrichten, in de buurt van Cagliari. Streekbewoners noemen die de Grotta della vipera, naar de twee slangen boven het ingangsportaal. Hadden die symbolische betekenis, als brengers van herleving of als heilige dieren van Isis? In elk geval mocht de bezoeker niet misverstaan om wat voor monument het ging:
Wat u voor een tempel aanzien, die u, voorbijganger, vaak eert,
huist de as en de luttele beenderen van Pomptilla.
Door Sardijnse aarde word ik bedekt, mijn echtgenoot vergezeld hebbend
en voor mijn man te hebben willen sterven is mijn roem.
quod credis templum, quod saepe, viator, adoras,
Pomptillae cineres ossaq(ue) parva tegit.
Sardoa tellure p̣remor, comitata maritum,
proq(ue) viro fama est me voluisse mori.
Dit is een van de zestien inscripties, sommige in het Grieks, sommige van Pomptilla’s man of in elk geval uit zijn naam, die alle in de Epigraphik-Datenbank van Clauss-Slaby (EDCS) via het internet zijn op te roepen.[9]
In alle opzichten de meest bloemrijke is deze:
Moge uw as uitgroeien tot viooltjes, Pomptilla, en tot lelies, en moge u bloeien in de bloemblaadjes van rozen, van de geurige saffraan en ontspruiten in de prachtige bloemen van de onvergankelijke witte amarant, zoals Narkissos en de veel betreurde Hyakinthos. En moge de tijd voor het nageslacht de bloei bewaren. Want toen Philippus de adem van zijn leden van zijn ledematen liet ontsnappen, nadat die zijn geest tot de randen van zijn lippen was genaderd, deelde zij, staande over haar echtgenoot toen die het leven verliet, haar leven voor zijn dood. Want een tweespan werd door de godheid doorgesneden, zodat Pomptilla stierf als losprijs (λύτρον) voor haar lieve echtgenoot en Philippus leefde, tegen zijn wil, altijd biddend om zijn ziel te vermengen met haar uiterst manminnende (φιλανδροτάτηι) geest.
εἰς ἴα σου Πώμπτιλλα καὶ ἐς κρίνα βλαστήσειεν
ὀστέα καὶ θάλλο[ι]ς ἐν πετάλοισι ῥόδων
ἡδυπνόου τε κρόκου καὶ ἀγηράτου ἀμαράντου
κεἰς καλὰ βλαστήσαις ἄνθεα λευκοίου
ὡς ἴσα ναρκίσσωι τε πολυκλαύτωι θʼ ὑακίνθωι
[κ]αὶ σὸν ἐν ὀψιγόνοις ἄνθος ἔχοι τι χρόνος
[ἥδε] γάρ ἡνίκα πνεῦμα μελῶν ἀπέλυε Φίλιππος
ψυχ]ὴν ἀκροτάτοις χείλεσι προσπελάσας
στ[ᾶ]σα λι[π]οψυχ[ο]ῦντος ὑπὲρ γαμέτου Πώμπτιλλα
τὴν κείνου ζωὴν ἀντέλαβεν θανάτου
οἵην συζυγίην ἔτεμεν θεός ὥστε θανεῖν μὲν
Πώμπτιλλαν γλυκεροῦ λύτρον ὑπὲρ γαμέτου
ζῆν δʼ ἄκοντα Φίλιππον ἐπευχόμενον διὰ παντὸς
συνκεράσα(ι) ψυχῆι πνεῦμα φιλανδροτάτηι
Heel concreet staat in een ander vers: ‘als Pomptilla bedroefd haar kwijnende echtgenoot beweent, doet zij de gelofte (vovit) voor het leven van haar echtgenoot zelf te sterven’:
Languentem tristis dum flet Pomptilla maritum / vovit pro vita coniugis ipsa mori
In de volgende tekst staat letterlijk dat zij zich opofferde (se devovit):
Heiligdommen richtte de trouw van de man in voor de grote dienst van Pomptilla. De kuise vrouw heeft het verdiend vereerd te worden, want ze offerde zich op toen haar man al wegkwijnde, ontrukt aan haar man opdat hij door haar dienst leeft.
Templa viri pietas fecit p[ro] munere magno
Pomptillae meruit [femi]na casta coli
nam se devovit iam [defi]ciente marito
rapta viro m[eri]t[o vivat] ut ille suo
Hier is geen misverstand mogelijk: haar man was op sterven na dood toen zij zich ‘devoveerde’. Geen wonder dat zij aanspraak maakte op deze lofprijzing:
Gezwegen zij over Alkestis, bij wie voor de eerste keer de lijn lieten vieren
zij die tweemaal de draden bij Admetos hebben gesponnen.
De veelbesproken heldinnen die de oude
tijd inschreef onder de onsterfelijke kronieken,
overwint onder de later levenden Atilia, die voor Philippus
haar man, het ongelooflijkste levenslot toewijdde.
Van Pomptilla is dit de schrijn, voorbijganger, van haar die om haar man
het zoete einde van het leven proefde
σιγάσθ[ω δʼ Ἄ]λκη[στ]ις ἐφʼ εἷ λί(ν)α πρῶ[τον ἔλυσ]αν
αἱ δὶς [ἐ]πʼ Ἀδμ[ήτ]ωι ν[ή]μα[τα κ]λωσά[μεναι]
τὰς πολυθρυλ[ήτο]υς ἡρ[ωίδα]ς ἃς ὁ π[αλαιὸς]
[α]ἰὼ[ν] ἀθανά[τοι]ς ἐν[κατέ]γραψε χρόνοις
νικᾶι ἐν ὀ[ψ]ιγόν[οι]σι[ν Ἀ]τιλία ἡ [π]ρὸ Φιλίππ[ου]
ἀνδρὸ[ς ἀ]πισ[το]τάτ[η]ν μοῖρ[α]ν ἐπευ[ξ]αμ[ένη]
Πωμπ[τίλλης ὅ]δε νη[ό]ς ὁδοιπόρε [τ]ῆς ὑπὲρ ἀνδρ[ὸς]
[αὐτῆς(?)] γευ[σ]α[μ]ένης ἡδὺ τέλο[ς β]ιότο[υ]
Symbool van opstanding
Een grote devotie genoot de zich ‘devoverende’ Alkestis in de oudheid niet. Als in de tweede eeuw bij de elite crematie plaatsmaakt voor inhumatie, verschijnt haar geschiedenis weleens op de kostbare sarcofagen, zoals die van Caius Iunius Euhodus and Metilia Acte. Hierdoor wordt dan uitdrukking gegeven aan het toenemende geloof in een voortbestaan.[10]
Misschien werd zij in de late, christelijke oudheid niet zozeer gezien als een icoon van zelfopoffering – daar had je de martelaren voor - maar van wederopstanding. Dat is misschien het geval in de catacombe aan de Via Latina. Daar hebben heidense en christelijke leden van een familie hun doden bijgezet. Een fresco toont hoe Alkestis door Herakles, herkenbaar aan knots en Kerberos, naar de wereld van de levenden, d.w.z. Admetos, wordt teruggebracht. Deze ‘gekerstende’ Alkestis heeft het antieke symbool van vrouwelijke zelfopoffering echter niet vervangen.
e-post: antonvanhooff0@gmail.com
Enige literatuur
· Karl Dissel, Der Mythos von Admetos und Alkestis, seine Entstehung und seine Darstellung in der bildenden Kunst, Brandenburg 1882
· L. Weber, Die Alkestissage, Rheinisches Museum für Philologie 1993, 117-164
· Mark W. Padilla, Gifts of Humiliation: Charis and Tragic Experience In Alcestis’, American Journal of Philology, 121(2) (2000) pp. 179–211
· Vertaling van Alkestis door Johan Boonen in: De Grieken 3: Bloed, Bebuquin, Antwerpen 2018
Van de auteur:
· Zelfdoding in de antieke wereld, SUN, Nijmegen 1990; Engels: From Autothanasia to Suicide. Self-Killing in Classical Antiquity, Routledge, London/New York 1990, paperback 2011, ook als e-book verkrijgbaar
· ‘Martyrs of Love, Eros and Thanatos in Classical Literature’, in: Friederike Pannewick (ed.), Martyrdom in Literature. Visions of Death and Meaningful Suffering in Europe and the Middle East from Antiquity to Modernity, Reichert Verlag, Wiesbaden 2004
· Sterven in stijl. Leven met de dood in de klassieke oudheid, Ambo/Anthos, Amsterdam 2015
Over de schrijver
Dr. Anton J.L. van Hooff was hoofddocent klassieke geschiedenis aan de Universiteit Nijmegen. Na zijn pensionering publiceerde hij elf boeken, waaronder Klassiek, Marcus Aurelius¸ Sterven in stijl, Klassieke liefde, Tirannenmoord en Je hebt gewonnen, Galileeër (2023)
Dit jaar verschijnt bij Cambridge Scholars Sparks From Spartacus. Life and Afterlife of the Ancient Rebel
Heinrich Füger (1751–1818) Alkestis offert zich op voor Admetos (1803- 1805) Kunsthistorisches Museum, Wenen, online collectie 12443
Wikimedia Commons Alcestis sacrifices herself for Admetus (by Heinrich Friedrich Füger) – Wien Museum Online Sammlung (12443) – unframed.jpg
Alkestis en Admetos, deze als zodanig herkenbaar aan zwaard en mannelijk lid. Zijn verwarde haar is de uitdrukking van rouw. Samen met Alkestis neemt hij bewogen kennis van wat de man op de voorgrond voorleest, het orakel? Rechtsachter nog eens Alkestis, samen met Apollo, herkenbaar aan de boog. Linksachter de weigerachtige bejaarde ouders van Admetos; fresco uit het huis van de tragische dichter, Pompeii, Nationaal Archeologisch Museum, Napels (Wikipedia)
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Admetus_and_Alcestis_fresco_from_House_of_the_Tragic_Poet_%28Pompeii%29.jpg
Stervende Alkestis met haar kinderen en Admetos, Tischbein ca. 1780 (Wikipedia)
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:J_H_Tischbein_d%C3%84_Alkeste_1.jpg
Alkestis (naam links van haar van boven naar beneden) neemt afscheid van Admetos (naam van rechts naar links bovenaan) tussen doodsgoden, Etruskisch (Wikimedia)
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Farewell_of_Admetus_%26_Alcestis.jpg
Herakles worstelt met de Dood om Alkestis’ lichaam, Frederic Lord Leighton, c. 1869-1871, Wadsworth Atheneum - Hartford, Connecticut, USA (Wikipedia).
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Hercules_Wrestling_with_Death_for_the_Body_of_Alcestis,_by_Frederic_Lord_Leighton,_England,_c._1869-1871,_oil_on_canvas_-_Wadsworth_Atheneum_-_Hartford,_CT_-_DSC05068.jpg
Herakles brengt (de nog wat wezenloze) Alkestis terug, Cézanne 31 december 1866, Keynes Collection FitzWilliam Museum, Cambridge (Wikipedia)
https://nl.m.wikipedia.org/wiki/Bestand:Cezanne_ontvoering_alkestis_door_heralcles.jpg
Admetos ontsluiert Alkestis, teruggebracht door Herakles, Tischbein, ca. 1780, particulier bezit (Wikipedia)
https://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:J_H_Tischbein_d%C3%84_Alkeste_2.jpg
Sarcofaag van Caius Iunius Euhodus and Metilia Acte, met alle episodes uit de mythe: Links Apollo, dan jachtvrienden van Admetos, in het midden de stervende Alkestis, dan Herakles die haar terugbrengt, rechts de hereniging, Vaticaanse Musea (Wikimedia Commons)
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Sarcophagus_of_Caius_Junius_Euhodus_and_Metilia_Acte,_Panabella,_near_Ostia,_161-170_AD_-_Vatican_Museums_-_DSC00666.jpg
Ingang van de ondergrondse tombe voor Atilia Pomptilla, met twee slangen boven het portaal, bij Cagliari, Sardinië (Wikipedia)
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Grotta_della_vipera_%28CA%29.jpg
Herakles, voorzien van knots en driekoppige hellehond, brengt Alkestis terug bij Admetos, fresco 4de eeuw in catacombe aan de Via Latina (Wikipedia)
https://en.wikipedia.org/wiki/Via_Latina#/media/File:Alcestis-Catacomb.jpg
[1] In 1990 waren het er nog 960.
[2] Hyginus, Fabulae 243.
[3] Een volledige, maar oude vertaling op: https://www.koxkollum.nl/euripides/alcestis.htm; Bebuquin
[4] Plato, Symposion 179B. De meest recente vertaling is van Johan Boonen, in: De Grieken 3 Bloed, Bebuquin-Epo 2018.
[5] Inscriptiones Graecae XII,7 (Amorgos); Inscriptiones Kourion, Cyprus 68; Inscriptiones Graecae Urbis Romae I doc II:322 en I doc III:1226.
[6] Anthologia Graeca 7.691.
[7] Werner Peek, Griechische Versinschriften I.2088a (p. 691); Inscriptones Graecae in Bulgaria repertae 1.222.
[8] Tacitus, Annales 16,9.
[9] EDCS 43600118.
[10] Voor de complementaire ‘lagen’ in de benadering van de dood: Sterven in stijl. Leven met de dood in de klassieke oudheid, Ambo/Anthos 2015.
How to Cite:
Hooff, A. v., (2026) “Alkestis, vrouwelijke zelfopoffering totterdood”, Tetradio 34(1), 87-97. doi: https://doi.org/10.21825/tetradio.96857
Downloads:
Download PDF
View PDF